LEEFOMGEVING - Sensorische analyses: het ontbrekende puzzelstukje in geuronderzoek?

02 april 2019

Geurproblematiek blijft een zeer belangrijk aandeel behouden in het aantal milieuklachten dat door burgers geuit wordt. Samen met klachten rond geluid, vormt geur de hoofdbrok van alle geregistreerde klachten. Dit is ook logisch aangezien bij beide problematieken rechtstreeks ingewerkt wordt op een zintuig dat continu actief is. We kunnen immers niet zomaar ons gehoor of onze ademhaling - en de eraan verbonden reukzin – uitschakelen.

De oplossing van de problematiek ligt vaak echter een stuk ingewikkelder, temeer omdat de waarneming weliswaar kan geobjectiveerd worden, maar dit geldt niet zomaar voor de interpretatie van deze waarneming. Iedereen kan een bepaalde geur of geluid anders gaan beoordelen, afhankelijk van eerdere waarnemingen of van de verwachtingen die die persoon op dat moment stelt ten opzichte van zijn/haar leefomgeving. 

Complementaire tools

Voor het beoordelen van geluidsproblemen, bestaat er weliswaar een ‘druk-op-de-knop’ meettoestel waarbij niet enkel geluidsdrukken gemeten worden op een herhaalbare manier, maar waar bijkomend aan de hand van frequentieanalyse een doorgedreven interpretatie kan gebeuren van de aard van het lawaai. 

Bij het onderzoeken van geurproblemen bestaat een dergelijk instrument niet, en zijn we aangewezen op een aantal complementaire tools waarvan we gebruik kunnen maken. 

Zo zijn we enerzijds in staat om een geurtje chemisch te ontleden en na te gaan welke (veelal organische) componenten erin aanwezig zijn en in welke concentratie. Deze informatie kan ons helpen de meest geurgevoelige componenten te achterhalen, en ook een methodiek te ontwikkelen om hun aanwezigheid te vermijden, bijvoorbeeld in een productieproces, of te bestrijden aan de hand van één of andere luchtzuiveringstechniek.

Anderzijds maken we daarnaast graag gebruik van onze neus als meetinstrument om de aan- of afwezigheid van geuren te gaan bepalen. Hoewel de menselijke neus in de loop der tijden aan gevoeligheid heeft moeten inboeten ten opzichte van andere (zoog)dieren zoals bijvoorbeeld de hond, kunnen de meest geavanceerde chemische meettechnieken nog steeds niet tippen aan de gevoeligheid van onze neus. Daarom wordt de neus nog ingezet bij meettechnieken als olfactometrie en snuffelploegmetingen. 

Olfactometrie - Bij olfactometrie wordt een luchtstaal in verschillende verdunningsstappen aangeboden aan een panel waarnemers, van wie het reukvermogen regelmatig getest wordt (de zogenaamde gekalibreerde neuzen). De panelleden moeten een verdund geurstaal kunnen onderscheiden van geurvrije lucht. Door verschillende verdunningsstappen aan te bieden boven en onder de geurdrempel, wordt de geurconcentratie van een staal bepaald. Dit is een maat voor hoeveel maal een geurstaal moet verdund worden opdat het nog net te onderscheiden valt van geurvrije lucht. Olfactometrie leert ons dus iets over de sterkte van een monster, maar vertelt niets over de kwaliteit en het geurkarakter (d.i. het type geur) van de lucht. Deze techniek is zinvol wanneer verschillende bronnen ten opzichte van elkaar moeten afgewogen worden, of om de efficiëntie van een zuiveringstechniek na te gaan.

Snuffelploegmetingen - Bij snuffelploegmetingen wordt de verspreiding van de geur van een bepaalde bron windafwaarts in het veld opgetekend door twee gekalibreerde neuzen. Aan de hand van de maximale geurwaarnemingsafstand en de meteorologische omstandigheden op het moment van waarneming, kan de sterkte van de geurbron berekend worden met een atmosferisch dispersiemodel. Door deze meting een tiental keer te herhalen onder verschillende omstandigheden, kunnen we een gemiddeld beeld van de bronsterkte bepalen. Met deze gegevens kan dan de impact op jaarbasis op de omgeving gemodelleerd worden, en getoetst worden aan bepaalde richtwaarden. Ook hier spreken we opnieuw enkel over aan- of afwezigheid van geur, en de frequentie van voorkomen, maar niet over de kwaliteit en/of de hinder. 

Kwalitatieve analyse

Om invulling te geven aan het ontbrekende puzzelstukje, namelijk kwalitatieve informatie over het geurstaal, werd binnen OLFASCAN  een eigen bijkomende, kostenvriendelijke meettechniek ontwikkeld. Onze eigen personeelsleden, die de test voor gekwalificeerd olfactometrie-panellid met succes ondergingen, werden getraind op het kwalitatief scoren van geurstalen op de intensiteit van de geur, de (on)aangenaamheid en de hinder. Daarnaast wordt ook telkens een omschrijving van het type geur gevraagd, waarbij geput wordt uit een eigen databank met een aantal soorten geur. 

In een geurvrij lokaal wordt, binnen de 24 uur na monstername, een sensorische analyse uitgevoerd op de gecollecteerde lucht- of waterstalen. Zoals gezegd is het doel van deze analyse kwalitatieve informatie te bekomen die aanvullend kan gebruikt worden om de problematiek te onderzoeken. De evaluatie van de drie te onderzoeken parameters gebeurt met behulp van een score volgens onderstaande tabel.

intensiteit

(on)aangenaamheid

hinderlijkheid

niet waarneembaar (0)

neutraal tot aangenaam (0)

niet hinderlijk (0)

zwak (1)

licht onaangenaam (- 1)

licht hinderlijk (1)

matig (2)

onaangenaam (- 2)

hinderlijk (2)

duidelijk (3)

erg onaangenaam (- 3)

erg hinderlijk (3)

sterk (4)

extreem onaangenaam (- 4)


overweldigend (5)




Deze analyses worden telkens uitgevoerd door minstens zes panelleden. De resultaten worden grafisch voorgesteld in de vorm van een staafdiagram of taartdiagram dat in één oogopslag duidelijk geïnterpreteerd kan worden. 

In de afbeelding met de taartdiagrammen wordt een voorbeeld weergegeven van de resultaten van sensorische analyses van luchtstalen doorheen een tweetrapszuiveringsproces (van boven naar onder: ongezuiverde proceslucht, lucht na eerste trap en emissielucht na finale behandeling). De kwalitatieve verbetering van de luchtstalen doorheen het proces kan duidelijk vastgesteld worden. 

Via de sensorische analyses kan ook de wet van Weber-Fechner geïllustreerd worden. Deze wet is algemeen geldig in de menselijke perceptie, en is toepasbaar op al onze zintuigen (zicht, gehoor, tastzin, reukzin, smaak). De wet stelt dat er een lognormaal verband is tussen de werkelijke verandering in een fysieke stimulus en de door ons waargenomen verandering. In ons geval kan gesteld worden dat er een lognormaal verband is tussen de gemeten geurconcentratie (werkelijke verandering) en de opgetekende intensiteit van de geur bij de sensorische analyses (waargenomen verandering). De grafiek bij dit artikel illustreert dit aan de hand van een aantal stalen waarbij de intensiteit (x-as) uitgezet is ten opzichte van de geurconcentratie (y-as, log).

Als conclusie kan gesteld worden dat het instrument van de sensorische analyses een kostenvriendelijke en zeer begrijpbare tool is die nuttig kan ingezet worden als ondersteunend instrument om bijkomende informatie te vergaren bij het onderzoeken van geurproblemen. 

Tekst: Toon van Elst, Olfascan
Foto's: Olfascan


LEEFOMGEVING - Sensorische analyses: het ontbrekende puzzelstukje in geuronderzoek?

Meer items

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

{{ newsletter_message }}

x

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x